De wereld van Wolfgang Wijdeveld
‘Wolfgang Wijdeveld is geen componist wiens muziek men regelmatig in de concertzaal aantreft’, schreef Wouter Paap in 1970 in Mens en Melodie naar aanleiding van een concert ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de componist. ‘Hij behoort niet tot de componisten die het opbouwen van een compleet oeuvre nastreven en er achterheen zitten dat hun werk in de concertpraktijk wel in voldoende mate aan de orde komt.’
Honderd jaar na zijn geboorte is daar nog altijd geen verandering in gekomen. Wolfgang Wijdeveld (1910-1985), Wokke voor intimi, is een voetnoot geworden in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Dat lag deels aan de componist en pianist zelf. Hij voelde zich in de eerste plaats pianodocent en didacticus en pas in de tweede plaats uitvoerend musicus en componist. In een interview kort voor zijn dood zei hij daarover: ‘Die voorkeur voor het lesgeven komt waarschijnlijk voort uit het minderwaardigheidsgevoel dat wij Wijdevelds hebben. Als je lesgeeft sta je boven iemand, dan ben je deskundig. Misschien is dat de psychologische achtergrond. Maar we hebben altijd de behoefte gehad iets te willen overbrengen, overdragen. En gelukkig zijn we ook niet gespeend van redelijkheid en fantasie. Ik heb me altijd goed in de leerling kunnen verplaatsen, dat is heel belangrijk.’
Er was ook een praktische noodzaak. ‘Ik had een woest leven’, zei Wijdeveld in datzelfde interview. ‘Veel huwelijken, veel kinderen. Ik moest ook ontzettend veel schoolconcerten geven, balletten begeleiden en componeren, allemaal om geld te verdienen.’
Wijdeveld leverde vele pianisten en pianodocenten af. Toch was de componist in hem er niet alleen om geld te verdienen. Daarvoor schreef hij te veel werken voor zijn eigen plezier en zijn eigen instrument, de piano. Componeren was zijn manier om zijn visie op de wereld om hem heen uit te dragen. Tegen het einde van zijn leven legde hij daarom, geplaagd door ziekte en staar, veel van zijn werken voor piano solo vast op een eenvoudige bandrecorder om zo toch iets van zijn werk en visie voor het nageslacht te bewaren.
Ondanks deze bescheiden poging om deel te nemen aan de eeuwigheid is het werk van Wijdeveld nog steeds aan een krachtige herijk toe. Want als er al een beeld heerst, is dat het beeld dat Leo Samama schetst in zijn kort na Wijdevelds dood in 1985 verschenen boek Zeventig jaar Nederlandse muziek. Samama schaart Wijdeveld onder het min of meer anonieme rijtje Pijperleerlingen en onder de toondichters die in het zwarte gat van het naoorlogse muziekleven zijn gevallen. ‘Ook voor Anthon van der Horst, Louis Toebosch, Jan Mul, Albert de Klerk, Herman Strategier, Jan van Dijk, Géza Frid, Jurriaan Andriessen, Hans Osieck en Wolfgang Wijdeveld geldt dat zij muziek schreven die regelmatig en ontegenzeggelijk met succes werd uitgevoerd, muziek waar velen genoegen aan beleefd hebben, maar waar weinig persoonlijks uit spreekt, muziek die zich in concrete of abstracte vorm slechts moeizaam in het geheugen weet vast te zetten.’
Wijdeveld werd geboren in Den Haag en kreeg zijn eerste kunstzinnige vorming van zijn vader, de architect Hendrik Wijdeveld en zijn grootmoeder van moederskant, de Pools-joodse pianiste Ruscha Schönfeld die nog contact had gehad met componisten als Brahms en Reger. Aan het Amsterdams conservatorium studeerde hij piano bij Willem Andriessen, theorie bij Sem Dresden en compositie bij Willem Pijper. Na zijn opleiding ontpopte hij zich in eerste instantie als begeleider van dansgroepen als het Scapino Ballet, het Ballet der Lage landen en de balletten van Yvonne Georgi. Vanaf 1940 voerde de muziekpedagogiek de boventoon in zijn werk. Hij was tot 1946 directeur van de Stedelijke Muziekschool in Zwolle en daarna tot 1977 hoofddocent piano en methodiek aan het Utrechts conservatorium. Ook was hij tussen 1956 en 1968 actief als recensent voor dagblad Het Vrije Volk. Daarnaast bleef hij zijn hele leven componeren. Hij schreef een twaalftal balletten, vocale werken als de Walt Whitmanliederen (1949) en de Liederen op Zuid-Afrikaanse tekst (1966), groter opgezette koorwerken als Psalm 150 (1950) en het Matrooslied (1966), een enkel orkestwerk en veel kamermuziek. Uit die laatste categorie verdienen vooral zijn Sonate voor viool en piano (1948), de Sonate voor twee violen en piano (1954) en zijn werken voor piano solo zoals de drie Sonates en zijn Notitieboeken I-V de aandacht.
In deze composities is Wijdeveld allesbehalve een Pijperepigoon. In het hierboven aangehaalde artikel uit 1970 naar aanleiding van de zestigste verjaardag van de componist schrijft Paap zelfs dat ‘Wijdeveld de enige leerling van Pijper is die niets met hem te maken heeft’. Nu gaat dat misschien wat ver, want vooral in zijn vroegere werken zoals het Blaaskwintet uit 1934 waarmee hij zijn studie bij Pijper afsloot en de eerste Pianosonate uit 1940 is de invloed van Pijpers kiemceldenken wel degelijk manifest. In de loop van de jaren veertig verdwijnt de invloed van Wijdevelds compositiedocent steeds meer naar de achtergrond en schrijft Wijdeveld levenslustige muziek met een persoonlijke signatuur. ‘Al wat hij schrijft vloeit spontaan voort uit de situatie waarin hij zich als mens en musicus bevindt’, zo merkte Paap op. Daarbij liep hij ‘tamelijk argeloos om de renovaties heen die bij zijn leermeester zijn oorsprong vonden.’
Anders dan de Duitse of Franse gerichtheid van vele Nederlandse componisten in de periode rond de Tweede Wereldoorlog, valt Wijdevelds werk op door zijn waardering voor Stravinsky en vooral Bartók, de componist die hij leerde kennen door zijn mentor, pianoduopartner en goede vriend Géza Frid. Die invloed is bijvoorbeeld duidelijk aanwezig in de volksmuziekachtige helderheid en de krachtige ritmische drive die de Tweede pianosonate kenmerken.
Hoewel Wijdeveld qua muzikale taal vrij constant is, lijken vooral de werken vanaf de vroege jaren zestig te getuigen van een enorm speelplezier en een grote vrijheid. Misschien is de verbeterde relatie en de tournee die hij in 1962 met zijn vader door de Verenigde Staten maakte met lezingen over bouwkunst en muziek hierbij van belang geweest. Het is in elk geval muziek die, zoals Ton Hartsuiker schreef, ‘spelenderwijs’ gecomponeerd is. Werken ‘waarbij de scherpe karakteristieken en de beweeglijkheid een jarenlange activiteit als balletpianist/componist in herinnering roepen.’
In 2000, bij de verschijning van de cd met de eigen opnamen die Wijdeveld in de laatste jaren van zijn leven zo minutieus had gemaakt, schreef Paul Witteman: ‘Je wordt een beetje vrolijk van de muziek die streng maar optimistisch klinkt. Net niet modern, maar wel de laatromantiek voorbij.’ En daarmee laat het bescheiden oeuvre van Wijdeveld zich samenvatten: waardevol werk van een bon vivant ingetoomd door een aangeleerde bescheidenheid.
Paul Janssen, 2010